De etymologische verklaring van het woord, stelt dat "berserkr" samengesteld is uit de Oudnoorse woorden "ber" (beer) en "serkr" (huid, vel). Berserkers waren dan ook krijgers die in een berevacht gehuld waren. Dit hing samen met het oude, sjamanistische geloof, dat de mens zelf, net als de Goden (Wodan, Loki, Freyja) de gestalte kon aannemen van het dier wiens huid hij droeg. Voor die gestalteverandering kenden de Noordse saga's twee uitdrukkingen, "skipta homum" en "ham ramr", die letterlijk "van gestalte veranderen" betekenen, maar ook overdrachtelijk gebruikt werden in de betekenis van "in berserkerwoede ontsteken". Die gestalteverandering wordt nu eens letterlijk voorgesteld, dan weer als een zielsuittreding: het lichaam blijft verstard achter, terwijl de van gestalte veranderde ziel elders wordt waargenomen (wat vergelijkbaar is met de sjamanistische extase).