De vliegenzwam bij de Germanen: over berserkers en 'Kvasirs bloed'

Bron: Jurgen Vandebotermet
Berserkers




De vliegenzwam bij de Kelten: het gelag van Goibhniu

Alhoewel het religieuze gebruik van de vliegenzwam bij de Germanen nergens als dusdanig beschreven staat, zijn er toch overtuigende argumenten die erop wijzen dat Amanita muscaria een cruciaal onderdeel vormde van de cultus van de Oppergod Wodan/Odin en dat zij in die functie een essentiële rol bleef vervullen tot aan de periode van de kerstening toe. Daarop wijzen de vele verhalen over berserkers in de IJslandse saga's alsook de mythologische vertellingen rond het ontstaan van de dichtermede. Die elementen kennen opvallende parallellen in de Perzische mythologie en de Vedische Soma-cultus, wat hun authenticiteit en hoge ouderdom bevestigt. Mogelijk rustte er bij de Germanen, vanwege haar cultische gebruik, een streng religieus taboe op het vernoemen van de vliegenzwam (we mogen immers niet vergeten dat het bij de eredienst van Wodan - net zoals bij de andere Goden - om een inwijdingsgodsdienst ging waaraan een absolute geheimhoudingsplicht verbonden was), vandaar de omfloerste omschrijvingen en verwijzingen die enkel door ingewijden te begrijpen waren.




Het uitzinnige gedrag van de Dionysische maenaden zou men heden ten dage - cultuurhistorisch en etymologisch onterecht, maar qua fysiologische oorzaak en qua karakter volstrekt gepast - met de Engelse term beserk kunnen omschrijven. Dat woord is een verbastering van het Oudnoorse berserkr (mv: berserkir), een benaming voor de leden van een cultische mannenbond van aan Wodan/Odin gewijde krijgers, de berserkers, die in het gevecht met een "woeste, extatische, onweer-
staanbare strijdwoede" (Van Dale) tekeergingen, een enorme kracht en uithoudingsvermogen bezaten, ongevoelig waren voor verwondingen door vuur of ijzer, en (zoals de maenaden) rauw vlees aten en bloed dronken.
Berserkers vormden de elitetroepen van koningen of andere hooggeplaatste personen en werden omwille van hun uitzonderlijke moed en doodsverachting ingezet waar de strijd het hevigst ontbrandde. Een passage uit de Ynglinga-saga (opgetekend in de dertiende eeuw) geeft hun gedrag treffend weer: "Odins mannen drongen voorwaarts zonder harnas en waren dol als honden of wolven; zij beten in hun schilden en waren sterker dan beren of stieren; zij sloegen hun tegenstanders ter aarde, maar vuur noch ijzer kon hen deren."
Odin
De etymologische verklaring van het woord, stelt dat "berserkr" samengesteld is uit de Oudnoorse woorden "ber" (beer) en "serkr" (huid, vel). Berserkers waren dan ook krijgers die in een berevacht gehuld waren. Dit hing samen met het oude, sjamanistische geloof, dat de mens zelf, net als de Goden (Wodan, Loki, Freyja) de gestalte kon aannemen van het dier wiens huid hij droeg. Voor die gestalteverandering kenden de Noordse saga's twee uitdrukkingen, "skipta homum" en "ham ramr", die letterlijk "van gestalte veranderen" betekenen, maar ook overdrachtelijk gebruikt werden in de betekenis van "in berserkerwoede ontsteken". Die gestalteverandering wordt nu eens letterlijk voorgesteld, dan weer als een zielsuittreding: het lichaam blijft verstard achter, terwijl de van gestalte veranderde ziel elders wordt waargenomen (wat vergelijkbaar is met de sjamanistische extase).
Volgens de overlevering konden de berserkers zich niet alleen in beren veranderen, maar ook in andere dieren, doorgaans wolven. In dat geval noemde men hen ulfhednar (wolfspelzen). De weerwolven (letterlijk: "man-wolven") uit het Europese volksgeloof gaan daarop terug en wijzen
erop, dat het fenomeen van de berserkers niet alleen in IJsland en Noorwegen bekend was, maar dat het een aan Wodan gewijde strijdersklasse betrof die van in de Oudheid bij alle Germaanse volkeren voorkwam. Omstreeks het begin van onze jaartelling maakte de Romeinse schrijver Tacitus (in zijn Germania en Historiae) al melding van een uitgelezen krijggersschaar van fanatieke strijders die iedereen in kracht overtroffen en met hun woest gedrag en helse verschijning de tegenstander doodsangst aanjoegen, en die hij de Harii of Hariërs noemde. Een West-Germaanse tegenhanger van de Noordse berserkers vinden we terug in de figuur van Wildebeer (in de Thidrekssaga Vildiver geheten), één van de helden van Diederik van Bern, die als beer verkleed tot koning Rother doordrong en hem met twee van zijn reuzen versloeg. In Frankische sagen wordt verteld, dat de helden Sigmund en Wolfdietrich (de legendarische voorvader van Dietrich van Bern) van wolven zouden afstammen en de Merowingers van een stier of een ever. De volgelingen van Diederik van Bern (die de Oostgotische koning Theoderik de Grote uit de 6de eeuw voorstelt) heetten de Wülfinge, en van de Langobarden schreef Paulus Diaconus dat ze in hun leger krijgers met hondenkoppen hadden die de reputatie hadden het bloed van hun vijanden te drinken.

De extase van de berserkers kon opgewekt worden door muziek, dans en gezang (zoals bij de Siberische sjamanen en de Dionysische maenaden) en door geraas, maar het was toch vooral door het drinken van mede, de cultusdrank die zo nauw met Wodan en zijn inwijdingsgodsdienst verbonden was, dat de goddelijke furie over hen kwam. Dat ligt voor de hand. Wodan is immers de Godheid bij uitstek van de furie, de extatische woede of razernij, die zowel dolle oorlogsdrift kan aanduiden als bezetenheid, bezieling, geestesvervoering. Hij is dus niet alleen de God van de Oorlog, maar ook van de dichtkunst, van de inspiratie en het hogere schouwen, en van de magie.
In de figuur van Wodan vinden we tal van sjamanistische elementen terug. Hij bezit het vermogen om zich naar believen in een dier te veranderen: Zijn lichaam lag als slapend, maar zelf was hij een vogel, een wild dier, een vis of een slang". De twee raven die Hem begeleiden en Hem alle nieuws in het oor fluisteren dat zij op hun vliegtochten over de wereld te weten zijn gekomen, Hugin (Heug) en Munin (Meug), kunnen we vergelijken met de hulpgeesten van de sjamaan.

Ook is Hij in staat tot magie, tovenarij en bezweringskunsten, waardoor Hij ziekte of dood kan veroorzaken, maar evengoed verwondingen genezen, en met Zijn ene oog in de toekomst kan kijken. Hij is het ook die op Sleipnir naar de Onderwereld (Niflhel) afdaalt om te weten te komen wat het Lot voor Balder beschikt heeft (Baldrs draumar). Zijn paard, dat door de lucht kan rijden, vervult hier de rol van hulpgeest. De acht poten van het ros zijn een eigenaardigheid die ook in het Siberische sjamanisme voorkomt. En net zoals de trom van de sjamaan, zijn symbolische paard, met kosmische symbolen beschilderd is, zo staan er runen op Sleipnirs tanden. Tenslotte, bracht Odin negen dagen door hangend in Yggdrasil, de Wereldes of Wereldboom, om de geheime kennis van de runen te verwerven.

Al deze karaktertrekken van Wodan doen beslist aan het sjamanisme denken. Het is dan ook in die betekenis dat we Zijn "woede" moeten opvatten, evenals de extase van Zijn volgelingen, de berserkers. En om dezelfde reden kunnen we ook het gebruik van een hallucinogeen middel als Amanita muscaria verwachten om de vervoering van de berserkers op te wekken, zoals dat ook bij de sjamanen in Siberië (en tot in de 18de eeuw bij de Samen in Finland) het geval is.
Het kan dan ook geen toeval zijn, dat in IJsland de vliegenzwam "berserkerzwam" genoemd werd (nog tot eind 18de eeuw). Wanneer de berserkers in woede ontsteken, vertoont hun gedrag immers de typische kenmerken van de roes die opgewekt wordt door het eten van die magische paddestoel (en die wij eerder bespraken n.a.v. het profane gebruik ervan in Siberië). Vooreerst is er hun woeste en gewelddadige optreden, doordat een oncontroleerbare furie of razernij bezit van hen neemt, waarbij niets of niemand wordt ontzien, soms zelfs de eigen manschappen niet. Vervolgens zijn er hun bovenmenselijke kracht en uithoudingsvermogen, waardoor ze in staat zijn enorme stenen op te tillen of boomstammen uit te rukken en die over grote afstanden te dragen. Verder is er hun ongevoeligheid voor pijn: vuur noch ijzer kan hen deren. Tenslotte is er de slaperigheid die aan de berserkerwoede voorafgaat, de katatonie tijdens de extase (het lichaam van Bodvar Bjarki blijft bewegingloos in huis achter terwijl zijn ziel in de gedaante van een beer
de vijanden van koning Hrolf Kraki bij bosjes op het slagveld neermaait) en de lichamelijke ineenstorting na de zielsuit-
treding.
De berserkerwoede treedt doorgaans bij valavond of 's nachts op, want dan is hun kracht het grootst (één van de berserkers heet trouwens "Kveldulf", d.w.z. "Avondwolf"). Dat gegeven herinnert ons aan het sacrale gebruik van de Siberische sjamaan om de paddestoelen's avonds te eten. Immers, de afdaling naar de Onderwereld van de overledenen vindt altijd 's avonds of 's nachts plaats. Er is dan ook een duidelijk verband tussen de berserkers en de Onderwereld. Als cultische mannenbond waren zij Wodan, de Dodengod, toegewijd. Zij geloofden dat Hij het was die hen in ext ase bracht. Zijn goddelijke furie stelde hen in staat al tijdens dit leven buiten zichzelf te geraken en in de gemeenschap van de gestorven onsterfelijken (de einherjar) op te gaan.

Dat aspect van de berserkerwoede vinden we reeds terug bij de Hariërs. Tacitus vertelt immers over hen: "Zwart zijn hun schilden, zwartgeverfd zijn hun lichamen. De duisternis van de nacht kiezen zij voor de strijd en zij verwekken reeds door het duistere en angstaanjagende van hun dodenheir ontzetting."
De term "dodenheir" is hier beslist niet toevallig: wie aan Wodan gewijd is, behoort immers al Zijn leger van onsterfelijke krijgers toe. De benamingen "Hariërs" en "einherjar" gaan dan ook op dezelfde Germaanse stam terug en betekenen beide "mannen van het (ene) leger".
Het hoogtepunt van het Noordse berserkerdom kunnen we, voortgaand op de saga's, in de 9de eeuw situeren. Maar aan het eind van de 10de eeuw, wanneer het christendom binnendrong, begon het fenomeen snel aan belang in te boeten en op het moment dat de saga's opgetekend werden (tussen 1200 en 1500) waren de berserkers al zo goed als legendarisch geworden. Met het verdwijnen van het heidendom verminderde de betekenis van de aan Odin gewijde mannenbonden en door het verloren gaan van de religieuze achtergrond ervan, nam de ontaarding meer en meer toe. De berserkers traden steeds vaker op als rovers, kregen een slechte naam en werden ofwel verbannen (Noorwegen) of verboden (IJsland). Hierbij mogen we evenwel niet vergeten, dat die zogenaamde losbandigheid door de christelijke Kerk sterk in de verf zal gezet zijn, omdat zij in de berserkers nog een taaie kern van heidens verzet zag.

In onze streken leefden de berserkers nog lange tijd voort in volkse overleveringen en gebruiken.

De Wilde Man, die vaak in ommegangen werd opgevoerd, werd meestal voorgesteld met een uitgerukte boomstam over de schouder, of ook wel met een gigantische knots (het cultische wapen van de heidense mannenbonden). Het wijd verbreide geloof in de Wilde Jacht, het Dodenheir dat door Wodan aangevoerd wordt en rond Midwinter bij nacht over de velden raast, was er ook een herinnering aan. En zelfs in een vrij recent fenomeen als de Bokkerijders (en de volksverhalen errond) vinden we nog heel wat intrigerende elementen terug die wellicht verwijzen naar de heidense mannenbonden van weleer.
Kvasirs bloed





De naam "Kvasir" wordt traditioneel verklaard als de benaming voor een oeroude alcoholische drank die vervaardigd werd volgens de primitieve methode waarbij men gezamenlijk bessen kauwde en ze met speeksel en al in een groot vat spuugde. Speeksel was namelijk het oudst bekende gistingsmiddel. Kvasir zou dan ook een verbastering zijn van het Oudslavische woord "kvas", dat gegiste drank betekent en dat niet alleen de precieze benaming was van de Tataarse nationale drank, maar ook nu nog een zurige drank aanduidt die in Rusland uit desembrood en mout gebrouwen wordt.
Er zijn heel sterke argumenten om aan te nemen dat de Germaanse cultusdrank niet alleen op basis van honing gebrouwen werd, maar dat er ook een geheim ingrediënt aan werd toegevoegd: het sap van de vliegenzwam (dat de Indiërs de heilige Soma noemden). Voor de Germanen was de mede immers een magische drank die niet zozeer lichamelijke dronkenschap teweegbracht, als wel een geestelijke roes: een extase van de ziel, een mystieke vervoering die voor de ingewijde de poorten van de Hogere Wereld ontsluit en de dichter in staat stelt te zien wat voor het dagelijkse oog verborgen ligt. Het is de skaldenmede die door Wodan aan de Goden gegeven werd, en "die men slechts hoefde te drinken om een wijze of dichter te worden". De verklaring voor die magische uitwerking ligt in de goddelijke oorsprong van de dichtermede.

Terug naar home
Ga naar de Vliegenzwam bij de Kelten
Berserkers vliegenzwam